Lay-out boekverslag. Doelgroep 3e/ 4e TL.

Bibliografische gegevens:

Schrijver :

Titel :

Uitgever :

Druk :

Aantal blz. :

Thema:

Het thema is altijd een mening over het onderwerp. Je schrijft het op in een "Als ...dan" zin of in de vorm van een stelling. De volgende vragen kunnen je helpen om het thema te vinden:

Tip 1: probeer altijd het thema te kiezen dat bij het hele boek past.

Tip 2: voorkom dat je jouw mening als thema opschrijft, het gaat om de mening van de schrijver over het onderwerp.

Motieven:

Motieven zijn gebeurtenissen, ontwikkelingen of gevoelens in het boek die jou op het idee van je thema gebracht hebben. Ook de titel kan een motief zijn. Als je een thema hebt gekozen, moet je er minimaal drie motieven bij kunnen geven. Als je dat niet kan, dan klopt je thema niet.

Commentaar op het thema:

Bij het commentaar op het thema geef je jouw mening over het thema.

Het moet een tekst zijn van ongeveer honderd woorden en in alinea’s geschreven.

De volgende vragen kunnen je hierbij helpen:

Structuurelement personen:

Het zou heel vervelend zijn als een boek zou beginnen met de beschrijving van alle personen die in het boek voorkomen. Toch moet je als lezer de personen uit het boek leren kennen. Een goede schrijver is in staat de personen met weinig woorden te typerend. Bovendien vorm je ook al lezend een voorstelling van de personen. Het kan bijvoorbeeld best zijn, dat de schrijver nergens vertelt dat de hoofperso(o)n(en) driftig is maar als hij vaak gauw kwaad reageert, weet jij dat de hoofdpersoon(personen) driftig is.

De personen in verhalen hebben ook altijd iets met elkaar te maken. Ze zijn verliefd op elkaar, hebben een hekel aan elkaar, ze begrijpen elkaar niet, ze negeren elkaar, beschermen elkaar, zitten bij elkaar in een klas of zijn familie. Ze hebben gewoon iets met elkaar te maken.

Allemaal relaties die ook in het echte leven voorkomen. Hoe de relaties in het boek in elkaar zitten, kun je opmaken uit wat de personages zeggen, denken of doen.

Als je een beschrijving van de hoofdpersoon of personen maakt, vertel je over het uiterlijk, karakter en de relaties die hij of zij met anderen heeft. Daarnaast moet je aangeven hoe hij/ zij zich ontwikkelt in het boek. Wat leert de hoofdpersoon, hoe verandert hij of zij.

Vraag je altijd af hoe de hoofdpersoon in het begin van het boek is en hoe hij of zij aan het eind van het boek is. Hoe komt het dat de hoofdpersoon is veranderd?

Structuurelement tijd:

De gebeurtenissen in een verhaal duren een bepaalde periode. Sommige verhalen duren een half uur, andere een paar dagen of jaren. Meestal kun je alleen maar schatten hoelang een verhaal duurt. Het aardige van verhalen is, dat je in een uur in het leven van de hoofdpersoon meemaakt. We gebruiken voor dit verschijnsel twee termen. We hebben het over de vertelde tijd en de verteltijd.

Het zou heel vervelend zijn, wanneer een schrijver van minuut tot minuut zou beschrijven wat er in het verhaal gebeurt. Schrijvers maken daarom sprongen in de tijd. Hij schrijft bijvoorbeeld: "een jaar later..", of ‘de volgende dag ...’, aan het eind van de zomer, als lezer vul je die sprongen zelf in.

In veel verhalen volgen de gebeurtenissen elkaar op, maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. De schrijver kan ook terugblikken in de tijd, dit noemen we een flashback. Je begint bijvoorbeeld midden in een verhaal, een meisje bouwt een schuilplaats in een bos. Nadat je daarover gelezen hebt, kom je past te weten hoe het meisje daar terecht is gekomen. Verhalen die gewoon achter elkaar door verteld worden, noemen we chronologisch vertelde verhalen. Vind je flashbacks of wordt er vooruitgekeken dan is het verhaal dus niet chronologisch verteld.

Schrijvers kiezen heel bewust voor een manier van vertellen. Door het gebruik van flashbacks kunnen ze het verhaal spannender maken en de lezer uitleg geven over de situatie.

Vraag je altijd af of het verhaal wel of niet chronologisch verteld wordt en wat voor een effect dit heeft op jou, als lezer

Structuurelement perspectief:

Verhalen kunnen vanuit verschillende personen worden verteld.

Een verhaal kan geschreven zijn in de ikvorm. Als de ikfiguur de hoofdpersoon is, leer je die heel goed kennen. Je komt te weten wat hij/zij denkt en voelt en ziet alle gebeurtenissen vanuit zijn/haar ogen aan een ding moet je goed denken. Je mag nooit de fout maken de ik in het verhaal gelijk te stellen met de schrijver.

Een verhaal kan ook vanuit een hij /zij figuur worden verteld. Ook nu kom je de gedachten en gevoelens van een persoon te weten en bekijk je alles door de ogen van die ene persoon.

Een verhaal kan ook verteld worden door een alwetende verteller. Deze verteller kan alle gebeurtenissen, gedachten en gevoelens van alle personen beschrijven. Deze verteller hangt als het ware boven de personen en gebeurtenissen uit het boek. Dit perspectief geeft je een volledig beeld van de gebeurtenissen. Je hoeft als lezer zelf weinig in te vullen.

Het is voor jou als lezer erg belangrijk vanuit welke ogen je het verhaal beleeft. Als het in, een ik- of hij /zij perspectief is geschreven, dan is het altijd een heel persoonlijk verhaal. Je weet niet of de hoofdpersoon zich zorgen maakt om niets, of zich misschien allerlei dingen verbeeldt. In de bijenkoningin van Veronica Hazelhoff wordt het verhaal verteld vanuit Jeff. Helemaal aan het eind vind je als lezer een brief van zijn vriend Tom. Als je die hebt gelezen merk je dat Tom de dingen anders beleefd heeft.

Vraag je altijd af vanuit welke ogen je het verhaal beleeft en wat voor een invloed dit heeft op de beleving van de gebeurtenissen in het verhaal.

Structuurelement ruimte

Waar speelt het verhaal zich af? Als je naar een toneelstuk kijkt, kun je aan het decor zien waar het stuk zich afspeelt. Het decor moet ook bij het stuk passen. Je speelt geen vrolijk stuk in een naargeestig donker bos. Ook in boeken en verhalen spelen de gebeurtenissen zich ergens af. Wij noemen dit de ruimte waar het zich afspeelt. Deze plaats(en) is(zijn) meestal niet toevallig. De schrijver zal ervoor zorgen dat er een verband bestaat tussen het verhaal en de ruimte waar het zich afspeelt. Zo speelt een treurig verhaal zich vaak af in een treurige woonwijk of buurt.

Vaak is het niet nodig dat de schrijver de ruimte gedetailleerd beschrijft. De lezer zal het beeld zelf verder kunnen invullen. Het verhaal zou saai en traag worden als de schrijver de ruimte uitvoerig zou beschrijven. Als het een druilerige donkere dag is en iemand loopt daar als een verzopen kat rond zonder jas te wandelen dan zal dat niet zijn omdat diegene zich zo geweldig vrolijk voelt. De sfeerbeschrijving kan dus heel belangrijk zijn in een boek. Denk maar aan het Dagboek van Anne Frank.

Vraag je dus altijd af wat het verband is tussen het onderwerp en het thema van het boek en de ruimte.

Als laatste je mening over het boek.

Als je een mening moet geven dan kan je een criteria uit de literatuurmeter gebruiken maar daarnaast geef je argumenten waarom je dat vindt. Bij alles wat je schrijft op school, in welke klas je ook zit, wil ik weten, waarom vind je dat. Vertel dus eerst of je het een goed boek vindt of niet en waarom. Bespreek dit in drie alinea’s, drie criteria uit de literatuurmeter die je mening bepaalden en beargumenteer je mening.